PAUL DE GRAUWE – GROEI EN GELIJKHEID – DE MORGEN

Groei en gelijkheid zijn als water en vuur, onverenigbaar

door Paul De Grauwe, verschenen in De Morgen op 6 mei 2014

Er lijkt een grote ommekeer in de maak in het denken van de economen. Gedurende de laatste paar maanden kwamen belangrijke publicaties op ons af. Zo is er het boek van Thomas Piketty, ‘Le Capital au XXIe siècle’ (2013), waarin de auteur de stijgende ongelijkheid in de kapitalistische systemen documenteert, en pleit voor een drastische verhoging van de belastingen op de topinkomens en -vermogens. Het Internationaal Muntfonds heeft zojuist een studie gepresenteerd waaruit moet blijken dat de grote inkomens- en vermogensongelijkheden die we nu observeren de groei niet bevorderen, ja, zelfs de groei kunnen vertragen. De OESO kwam onlangs met een gelijkaardig rapport voor de dag waarin het voorgaande wordt bevestigd.

De traditionele visie van de economen staat onder druk. Die visie wil dat er een trade-off bestaat tussen gelijkheid en economische groei. Als een samenleving meer gelijkheid in inkomen en vermogen wenst, dan betaalt zij daarvoor een prijs, met name minder groei. Wil ze meer groei tot stand brengen, dan is meer ongelijkheid onvermijdelijk. We kunnen dus niet én meer groei én meer gelijkheid hebben. Groei en gelijkheid zijn als water en vuur, onverenigbaar. Heel oncomfortabel.

De traditionele econoom die moeite heeft met die oncomfortabele keuze ontwikkelde de trickle down-theorie. Volgens die theorie is de keuze voor groei eigenlijk niet zo oncomfortabel, want die rijke mensen zijn dynamische kerels die zoveel geld en vermogen hebben opgestapeld omdat ze buitengewone nieuwe producten en diensten hebben ontwikkeld. Rijke mensen creëren dus veel economische meerwaarde die meer groei en tewerkstelling mogelijk maken en het dus ook toelaten om de armoede te verlichten. Er is de laatste decennia weliswaar meer ongelijkheid ontstaan, maar tegelijk heeft de extra groei die hierdoor mogelijk werd de armen geholpen om uit de armoede te ontsnappen.

Er zal wel iets waar zijn aan die trickle down-theorie. China is er een spectaculair voorbeeld van. De overgang van het communisme naar het kapitalisme heeft er een ongehoorde economische groei mogelijk gemaakt. Die heeft de ongelijkheid in China sterk verhoogd. Maar tegelijk is de armoede er spectaculair gedaald.

Toch is daarmee de oncomfortabele keuze tussen groei en gelijkheid niet van de baan. De empirische evidentie waarover we nu beschikken, toont immers aan dat de stijgende ongelijkheid die we in de westerse economieën hebben zien ontstaan, niet geleid heeft tot meer groei, integendeel zelfs. De superrijken die in privévliegtuigen rond de wereld draaien, lijken plots niet meer de lui te zijn die ervoor zorgen dat de armen in de maatschappij meer brood op tafel hebben.

Is dat nu het einde van de oncomfortabele keuze? Laat mij een poging ondernemen om die conflicterende evidentie te rijmen.

Landen zoals China, die afgestapt zijn van het communisme, hebben een extreme vorm van egalitarisme verbannen. Communistische regimes gingen ervan uit dat de verdeling van de inkomens niet mocht gebeuren op basis van het marktmechanisme dat vooral gebaseerd is op prestaties. Iedereen moest gelijk zijn. Zo’n systeem leidde natuurlijk tot grote verliezen aan efficiëntie. Wie wou zich nog inzetten en sterk presteren als inzet en prestatie niet beloond werden? Het gevolg was dat de economie in die landen tot stilstand kwam. De overgang naar het kapitalisme liet dan ook toe de dynamiek van vrije ondernemingen te gebruiken om groei mogelijk te maken, en om die groei ook te gebruiken om de armoede te verminderen. So what, als er hierdoor ook meer ongelijkheid ontstond.

Maar niet elke ongelijkheid is even goed voor de groei. De ongelijkheid die we hebben zien ontstaan in het Westen sinds de jaren 80 kwam de economische groei helemaal niet ten goede. Het grootste deel van die ongelijkheid ontstond ten gevolge van een ontsporing in de financiële markten. De totale vrijmaking van die markten maakte fantastisch veel speculatieve winstmogelijkheden mogelijk. Gokkers werden beloond met fantastische vergoedingen. We kwamen terecht in een casino-economie. Die creëert superrijken die helemaal niet bijdragen tot de economische vooruitgang. Integendeel. Hieruit volgt dan ook dat een beleid dat hoge belastingtarieven heft op topinkomens en -vermogens geen economische achteruitgang zal inleiden. De middelen die dankzij deze belastingen naar de overheid vloeien, kunnen, als ze goed gebruikt worden, de economische groei bevorderen. Het is dus ook mogelijk om meer groei én meer gelijkheid te creëren.

white-space

Contact us